kleurvererving in zijn werk gaat, kan bij een bepaalde combinatie min of meer voorspellen wat de mogelijke kleuren van kittens zullen zijn. De erfelijkheid speelt dus bij fokkers een belangrijke rol. Na het lezen van dit hoofdstuk zult u ook veel meer van kattengenetica begrijpen.

        Cellen, chromosomen en genen
Elk levend wezen is opgebouwd uit cellen. In elke cel bevindt zich een celkern, waarin zich de paren chromosomen bevinden. Op deze chromosomen bevinden zich de tienduizenden genen, die de erfelijke eigenschappen bepalen. Zo is er ook een gen, dat de kleur bepaalt. Mensen hebben 23 paar chromosomen; katten hebben er 19. Van deze 19 paar chromosomen zijn er 18 gelijk. Het 19de chromosoom bevat de geslachtsinformatie. Het is duidelijk dat dit 19de chromosoom er bij een kater anders uitziet, dan bij een poes. Dit 19de chromosoom wordt bij een poes als XX aangeduid en bij een kater als XY. De andere 18 chromosomen bevatten de genen met overige erfelijke kenmerken. Hierbij moet u denken aan lang- of kortharig, wel of geen wit, verdunde kleur of niet. Maar ook grote of kleine oren, een lange of kortere staart en erfelijke ziekten worden via de chromosomen doorgegeven. Deze 18 chromosomen komen in identieke paren voor. Omdat deze zijn samengesteld uit genen van zowel de vader als de moeder krijgt een kitten van allebei verschillende erfelijke eigenschappen. Met de zaadcel en de eicel leveren ze beide 19 enkele chromosomen, die na de samensmelting weer nieuwe paren vormen. Deze chromosomen bepalen hoe een kitten genetisch is samengesteld (genotypisch) en hoe het eruitziet (fenotypisch). Als een cel zichzelf deelt, dan worden eerst de paren chromosomen gekopieerd en zodra deze dubbel aanwezig zijn, dan vormt de cel een membraan tussen de oude en nieuwe chromosomen en zo is er een tweede cel ontstaan. De nieuwe cel is dus identiek aan de eerste cel en bevat dezelfde erfelijke eigenschappen.

        Een lapjeskat is vrouwelijk
De allereerste cel waaruit elk kitten zal groeien, ontstaat door de samensmelting van een vrouwelijke eicel met een mannelijke zaadcel. In een mannelijke zaadcel en een vrouwelijke eicel bevinden zich geen 19 paren maar 19 enkele chromosomen. Een zaadcel heeft dus geen 19de chromosomenpaar maar een vrouwelijk X-chromosoom of een mannelijk Y-chromosoom. Als een poes bevrucht wordt, smelt een mannelijke zaadcel (X of Y) samen met een vrouwelijke eicel (altijd X). De nieuwe cel die daaruit ontstaat, bevat dan weer 19 paren chromosomen. Wordt de vrouwelijke eicel (X) nu bevrucht door een zaadcel met een Y-chromosoom, dan ontstaat er een XY-cel, waaruit een katertje zal groeien. Wordt de eicel bevrucht door een zaadcel met een X-chromosoom, dan ontstaat er een XX-cel, waaruit een vrouwelijk kitten zal ontstaan. Het kleurgen bij katten bevindt zich alleen op het X-chromosoom. De basiskleur van een kat is zwart of rood (of een variant hiervan). Een katertje (XY) heeft dus maar één X-chromosoom met een gen die de kleur bepaalt (rood of zwart), terwijl een poesje (XX) dus 2 mogelijkheden

Pagina's